
Een klassieke sauna werkt met een kachel die de cabine en de stenen verwarmt. Giet je water op hete stenen, dan verdampt het tot stoom: löyly. Een infraroodcabine en een stoombad verwarmen op een andere manier.
Een sauna is een verwarmde ruimte of een gebouw met een saunakachel. Het woord sauna komt uit het Fins. In de klassieke sauna verwarmt de kachel de cabine en de mensen erin. De kachel werkt meestal op hout of elektriciteit.
Bij een warmteopslagkachel nemen de stenen warmte op en geven ze die tijdens het saunabad weer af aan de ruimte. Ze helpen zo de warmte vast te houden. De kachel is dus de warmtebron; de stenen slaan een deel van die warmte op.

Water dat op hete stenen wordt gegoten, verdampt tot stoom. Die stoom heet in het Fins löyly. Zo komt er bij de verwarmde lucht ook stoom in de cabine. Giet niet zomaar zelf water op de stenen; vraag eerst of de huisregels van de sauna dit toestaan.

Een klassieke sauna verwarmt de ruimte met een kachel en is gevuld met zeer warme, relatief droge lucht. Een infraroodcabine gebruikt panelen die stralingsenergie als warmte afgeven. Infraroodpanelen kunnen ook met een traditionele saunacabine worden gecombineerd.
Een stoombad is minder heet dan een klassieke sauna, maar de lucht is er veel vochtiger. Een warm bad werkt weer anders: daarin zit of lig je in water, terwijl je in een sauna in verwarmde lucht zit. Het zijn dus verschillende warmteomgevingen, ook al voelen ze alle drie warm aan.
